Geïntegreerd Faunaplan

 

Heel wat diersoorten op het platteland zijn afhankelijk geworden van onze landbouwbedrijvigheid. Een aantal van deze soorten kunnen heel wat voordelen opleveren voor de landbouw (ecosysteemdiensten), andere kunnen eerder ongewenst zijn wanneer ze in grote mate aanwezig zijn (kauwen, duiven, vliegen, plaaginsecten), nog andere soorten dreigen te verdwijnen in de Vlaamse Ardennen.
Zo kunnen bv. zwaluwen, vleermuizen, spinnen, kevers, ... lastige insecten bestrijden. Verschillende soorten kevers en andere insecten kunnen zelfs plagen intomen. Bijen, hommels, zweefvliegen zijn belangrijke bestuivers.
Om maatregelen die in de landbouw kunnen geïntegreerd worden uit te denken en uit te werken werd het Leaderproject ‘Geïntegreerd Faunaplan’ opgestart dat ondersteuning geniet van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. Ook in drie andere regionale landschappen (Houtland, Meetjesland en de Voorkempen) en het stadlandschap West-Vlaamse hart loopt dit project. Het project loopt tot juni 2023. Met het budget dat hierin is voorzien kunnen dus verschillende zaken op bedrijven gerealiseerd worden.
De soorten en maatregelen waarrond we willen werken binnen de Vlaamse Ardennen zijn afgestemd met vertegenwoordigers vanuit landbouw en natuur. De maatregelen worden zodanig uitgedacht dat er geen of zeer beperkte invloed is op de bedrijfsvoering.
In afstemming met de lokale werkgroep werden een aantal diersoorten geselecteerd die nood hebben aan betere leefomstandigheden op het platteland. Vaak kunnen maatregelen voor deze dieren ook een voordeel bieden voor andere soorten én voor de landbouwer zelf.

Kleine landschapselementen zijn van groot belang voor dieren op het platteland


Onze focussoorten hieronder:
Zwaluwen
© Vilda: Yves AdamsDe huis- en boerenzwaluw zijn gekende soorten van het platteland die graag gezien zijn, want ze eten veel vliegen en muggen. Ze nestelen in en op gebouwen en maken hun nesten met modder uit de directe omgeving. Om deze vogels te helpen kunnen maatregelen genomen worden voor betere voedselvoorziening, toegankelijke stallen, modderplekken, kunstnesten, ….


Vleermuizen
© Vilda: Rollin VerlindeVleermuizen zijn zoals zwaluwen belangrijk in de beheersing van vliegenplagen. Een aantal vleermuissoorten leven typisch in en rond hoeves. De ingekorven vleermuis die zeldzaam is in Vlaanderen vindt zijn voedsel vooral bij rundveestallen. Maatregelen voor vleermuizen komen voor een deel overeen met deze van zwaluwen (toegankelijkheid stallen, kunstnesten, niet-chemische vliegenbestrijding). Vleermuizen verplaatsen zich vooral langs kleine landschapselementen: bomen(rijen), beken, hagen/heggen/houtkanten, ….


Eikelmuis
© Vilda: Rollin VerlindeEikelmuizen zijn slaapmuizen die over het algemeen van half oktober tot half april hun winterslaap houden. In het najaar zoeken ze dus een veilig plekje om de winter door te brengen, regelmatig vinden ze dit in gebouwen, ruïnes, holle bomen. Eikelmuizen hebben een gevarieerde voedselvoorkeur, ze eten zowel dierlijk (insecten) als plantaardig (allerlei soorten vruchten) voedsel. Ze verspreiding zich via groene lijnstructuren zoals bv. aanplantingen langs spoorwegen, houtkanten, heggen. Mogelijke maatregelen om de eikelmuis te helpen: aanplanten diverse vruchtdragende struiken en bomen, nestkasten, steenhopen, kleine landschapselementen, ….


Erfstruweelvogels (bv. ringmus, geelgors)
© Vilda: Yves AdamsMet erfstruweelvogels bedoelen we vogelsoorten die voor een groot deel afhankelijk zijn van struikgroepen, (geschoren) hagen, heggen en houtkanten in de directe omgeving van boerderijen en landelijke woningen. Bv. merel, winterkoning, ringmus, tjiftjaf, geelgors, maar ook wintergasten als vink, keep, kneu, sijs, …. In het voorjaar gaan de vogels vooral insecten, spinnen, bodemdieren eten, in de late zomer schakelen ze over naar plantaardig voedsel (zaden, vruchten). Deze soorten kunnen we helpen met bv. gemengde hagen of heggen, struikengroepen, klimplanten, bloemenstroken.

 

Nuttige diertjes die voorkomen in akkerranden

Veel bodemdiertjes en vliegende insecten hebben het steeds moeilijker om een geschikt leefgebied te vinden. Nochtans zijn veel soorten nuttig in het bestuiven van planten of bestrijden van plagen zoals loopkevers, sluipwespen, spinnen, solitaire bijen, zweefvliegen. Ze zijn afhankelijk van akkerranden met diverse grassen en bloemen waar zowel open als begroeide plekken zijn die zorgen voor variatie in zon/schaduw, schuilgelegenheid, voedsel. Vanuit de randen kunnen ze de akker intrekken en plagen bestrijden. Acties die kunnen helpen zijn keverbermen of akkerranden met diverse structuren (plantensoorten, houtstructuren, stenen, zandheuvels, insectenhotels).


Kraaiachtigen (kauwen)

© Vilda: Yves AdamsDeze vogels kunnen soms voor overlast zorgen als ze in grote aantallen samentroepen op bv. pas ingezaaide akkers. Van zodra het gewas begint te groeien geven ze nog weinig problemen. Kraaiachtigen zijn alleseters en waaronder ook insectenlarven zoals ritnaalden, emelten en engerlingen die veel schade kunnen toebrengen aan gewassen. De vogels hebben dus zeker ook hun ‘goede’ kanten. Wanneer de overlast van bv. kauwen toch te groot zou worden kunnen een aantal maatregelen genomen worden om ze te beperken: afsluiten van nestplekken (kauwen zijn holtebroeders), voorzien van alternatieve nestplekken waar ze geen overlast creëren, gelijktijdig inzaaien, verjaagmethoden.

 

Foto's © Vilda: Boerenzwaluw, Franjestaart, Eikelmuis, Ringmus, Kauw.


De afbeeldingen hieronder tonen voorbeelden van maatregelen die op of rond boerderijen kunnen toegepast worden om bovenstaande soorten te helpen aan een betere leefomgeving.