Kouterlandschappen
Kenmerkend voor de Vlaamse Ardennen zijn de kouterlandschappen. Ze zijn gelegen op de zacht hellende kant van de heuvels, waar de erosie uit het verre verleden weinig invloed uitoefende en waar dus een dikke laag van vruchtbare leemgrond bleef liggen. Logischerwijze werden deze gebruikt als akkerlanden. Oorspronkelijk bepaalde de geringe kavelgrootte het typische uitzicht van een lappendeken. Akkerland op de heuvels is nooit erg open: de boerderijen liggen verspreid in het landschap, op de glooiende vlakken kwamen veelvuldig begroeide taluds voor om de hellingsgraad te beperken. Dat was niet alleen gemakkelijk voor de landbouwer, het was samen met de afwisselende teelten meteen ook een rem op de erosie. Hier en daar bevonden zich brede haagkanten met opgaande bomen aan de perceelsranden met een holle weg. Wel kenmerkend was de aanwezigheid van Knotwilgen hoge bomen, die vaak perceelsgrenzen moesten aangeven. Die kouterlandschappen vormden in het verleden de graanschuur van de Vlaamse Ardennen en de fauna in dat landschap was dan aangepast aan de graanteelt. Het kruim van die fauna werd gevormd door een aantal akkervogelsoorten zoals Grauwe gors, Ceelgors, Veldleeuwerik, Kwartel, Patrijs en later ook de Gele kwikstaart. Zij waren sterk gebonden aan die paar eenzame bomen of een haagkant, van waaruit ze foerageerden op de graanakkers, voor de oogst, maar ook erna, toen er nog veel graan achterbleef. De kouterlandschappen waren trouwens ook erg van belang voor veel soorten muizen, spitsmuizen en hun predatoren, zodat ook dagroofvogels als de Torenvalk, uilen zoals de Ransuil of roofdieren zoals Steenmarter hier hun voedselbron vonden.
Voor veel soorten was er niet alleen het graan, maar ook de zaden van onkruiden, die op de akkers massaal voorkwamen. U kan het zich wellicht nog herinneren: de rijpe graanakkers gekleurd met het rood van de klaproos, het diepe blauw van de korenbloem en het geurige wit van de kamillesoorten. Dat was het topje van de veel rijkere ijsberg. Kouterlandschappen waren uiterst rijk aan soorten akkeronkruiden met Klein tasjeskruid, Klein streepzaad, Akkeren Driekleurig viooltje, Bolderik, Akkerboterbloem, Akkerandoorn en de schitterende halfparasiet Wilde weit.
Het is jammer om te zeggen, maar de natuurrijkdom van onze kouterlandschappen is vaak gereduceerd tot het fraaie landschap. De soortenrijkdom is bijzonder sterk afgenomen. De moderne bedrijfsvoering van de landbouw met de vervanging van de rijke schakering aan graansoorten door maïs en enkele tarwesoorten, de zaaduitzuivering van het zaaigoed, het gebruik van herbiciden en de veel efficiëntere manier van oogsten is voor veel soorten nefast geweest. Nagenoeg alle soorten die we met graagte hebben vermeld, doen het niet goed meer en veel soorten zijn verdwenen of teruggedrongen naar nog slechts enkele plekjes in onze Vlaamse Ardennen. En inderdaad, de zonovergoten wandeling door de rijpe graanakkers met het blauw van de Korenbloem, het rood van de Klaproos, de stijgende zang van de Veldleeuwerik en het eigen geluid van een Geelgors in de top van een boompje zijn voor velen gereduceerd tot een herinnering aan oude tijden.