Planten van fruitbomen

De grond en de daarbij gepaard gaande grondvochtigheid zijn bepalende factoren bij de aanplanting van fruitbomen. Algemeen kan gesteld worden dat de standplaats 's zomers vochtig (niet nat) moet zijn en in de winter droog. In de zandleem- en de leemstreek (Vlaamse Ardennen) zullen de fruitbomen veelal goed gedijen. De ideale bodem is kalk- en humusrijk. Waterzieke gronden worden best ontwaterd en bij aanplanting doet men er goed aan om een heuveltje aan te leggen om de wortels droog te houden. Vooral appels zijn kankergevoelig op natte gronden. Een kweepeer daarentegen kan gerust iets vochtiger staan. Een droge zandgrond kan men geschikt maken voor aanplanting door regelmatig organisch materiaal toe te dienen. Is men van plan om meerdere soorten aan te planten, hou er dan rekening mee dat appels, peren en kersen de grootste bomen worden. Perziken en pruimen daarentegen blijven eerder klein. Peren en pruimen eisen veel zon, appels daarentegen verdragen ook wat schaduw. In het algemeen kan men stellen dat de zon het uitzicht en de smaak bepaalt van veel vruchten. Peren en pruimen staan best beschut en worden liefst afgeschermd tegen de oosten- en noordenwinden. De reden is eigenlijk vrij simpel: ze bloeien vroeg in het voorjaar, waardoor ze heel kwetsbaar zijn voor late nachtvorst.

Planten gebeurt wanneer de boom in rust is (grosso modo van november tot en met maart), maar nooit als het vriest. Plant men de boom voor de winter, dan staat hij reeds stevig vast, wanneer in het volgende voorjaar de groei terug op gang komt. Plant men pas enkele weken na de ontvangst van het plantgoed, dan moet het plantgoed ingekuild worden, zodat de aarde de wortels tegen uitdrogen of bevriezen beschermt. Wring de wortels niet in een te kleine plantput. Voorzie een ruime plantput, liefst dubbel zo groot als het wortelstelsel.

De steunpaal slaat men vooraf in de grond aan de windzijde van de te planten boom; op deze manier voorkomt men beschadiging van het wortelstelsel.

Zorg dat de boom even diep geplant wordt als in de boomkwekerij; er is een duidelijk kleurverschil merkbaar onderaan de stam. Let er ook op dat het begin van de kroon bovenaan de steunpaal uitkomt. Indien dit niet zo is, loopt men de kans dat bij hevige wind de kroon telkens opnieuw tegen de paal gesmeten wordt, met alle nodige gevolgen.

Fruitbomen verteren heel slecht chemische meststoffen, noch verse stalmest in de plantput. Het gevaar is niet ondenkbeeldig dat bij toediening van meststoffen in de plantput wortelverbranding zal optreden.

Vooraleer het plantgat volledig met aarde te vullen, is het aan te raden om er een emmer water in te gieten. Op deze manier vult de gestorte aarde de ruimte tussen de wortels goed op. De grond licht aandrukken en rond het pas geplant boompje de bodem afdekken met een laag goed verteerde stalmest, gazonmaaisel, compost of stro, vermijdt uitdrogen van de grond en kiemen van onkruid.

Eén van de voorwaarden om goede resultaten te bekomen bij fruitbomen is dat de bomen niet te dicht bij elkaar staan. Vooral appelaars, kerselaars en notelaars kunnen flink in de breedte Uitgroeien. Volgende afstanden zijn een goede basis om bevredigende resultaten te boeken:

 

Soort
Hoogstam
Halfstam
Appel
10-12m
5m
Peer
8-10m
5m
Pruim en kriek
6-7m
5m
Kers
10-12m
6m
Notelaar
10-12m
-

 

Wettelijke plantafstanden tot de nabuur

Als algemene regel omtrent de aan te nemen afstanden van beplanting gelden de plaatselijke gebruiken: voor het grootste gedeelte van de Vlaamse Ardennen worden eigen maten en gebruiken aangewend bij de aanplanting van hoogstammen, laagstammen en hagen. Deze maten stammen oorspronkelijk van het Oude Land van Aalst. Door het aloude karakter van deze gebruiken hebben zij na verloop van tijd een reglementair statuut gekregen. De respectievelijke plantafstanden bedragen:

 

Kanton
Hoogstam en kaphaag
Afstand tot de grenslijn
Laagstam en geschoren haag
Afstand tot de grenslijn
Brakel
(Brakel, Lierde)
84cm
42cm
Lierde (kanton Geraardsbergen)
84cm
42cm
Kruishoutem
90cm
45cm
Ronse
(Ronse, Kluisbergen, Maarkedal)
84cm
42cm
Oudenaarde
(Oudenaarde, Wortegem-Petegem, Horebeke, Maarkedal)
84cm
42cm
Zottegem
84cm
42cm

 

Indien er geen plaatselijke gebruiken gelden in de streek, dan is het Veldwetboek van toepassing. De wettelijke plantafstanden staan vermeld in artikel 35. Een levende haag die als omheining dient en geen gemeenschappelijke eigendom is, moet minstens op een halve meter van de scheidingslijn staan. Hoogstammige bomen moeten op minimum twee meter van de scheidingslijn worden geplant. Staan de bomen of hagen op de scheidingslijn, dan worden zij verondersteld gemeenschappelijke eigendom te zijn. Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden zonder een afstand in acht te nemen. Is de muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar van de muur het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken.

Voor het aanplanten van een bos moet men minimum zes meter van een (landbouw)perceel blijven.

Let wel: Artikel 37 van het Veldwetboek bepaalt dat de nabuur het recht heeft om u te verzoeken overhangende takken te verwijderen. Doorschietende wortels mag de buur bovendien zelf weghakken. De toepassing van dit artikel zou in bepaalde gevallen tot de dood van de betreffende boom kunnen leiden. Deze toestemming en gewoonte valt evenmin te rijmen met artikel 34 van het Veldwetboek dat zegt dat bomen op de scheidingslijn gemeen zijn en dat iedere eigenaar het recht heeft om de rooiing te eisen. De nabuur kan ook eisen dat op kortere dan de wettelijke afstand geplante hagen of bomen gerooid worden. Een gemeenschappelijke haag mag slechts verwijderd worden tot op de scheidingslijn én onder de verplichting dat er op de scheidingslijn een muur wordt opgetrokken.

Bestuiving van fruitbomen

Bij de meeste fruitsoorten dient er stuifmeel van een ander ras, cultivar of variëteit aanpebracht te worden om de eicellen te bevruchten. De kwaliteit van het eigen stuifmeel is immers onvoldoende, om een normale bevruchting te genereren. Het is dan ook belangrlJk om minimum twee, nagenoeg op hetzelfde tijdstip bloeiende rassen dicht bij elkaar te planten. Een ideale situatie bestaat erin dat twee fertiele rassen in elkaars nabijheid voorkomen, om optimale bestuivings- en bevruchtings- kansen te bekomen. De fruitbomen in de onmiddellijke buurt van de eigen aanplanting, kunnen natuurlijk ook dienst doen als bestuiver van uw fruitbomen. De stuifmeeloverdracht van het ene ras op de bloemstempel van het andere ras gebeurt voornamelijk door wind en insecten (bijen en hommels). Natuurlijk hebben ook bijen bepaalde voorkeuren: zo geniet de kerselaar de meeste voorkeur, in tegenstelling tot de perelaar. In Japan wordt de bestuiving ook gerealiseerd door mensenhanden, die het stuifmeel via een penseel aanbrengen op de stempel van de te bestuiven bloemen. Fruitboomrassen waarvan de bloemen stuifmeel met een goede vruchtzetting bezitten, noemt men zelfbestuivend of zelffertiel. Dit houdt in dat er geen vreemd stuifmeel en dus ook geen andere boom moet ingeschakeld worden voor de bevruchting. In het algemeen kan men stellen dat krieken, perziken en de meeste pruimen zelffertiel zijn. Zelfbestuiving is meestal pas mogelijk als het klimaat gunstig is.

In alle andere gevallen is de aanwezigheid van vreemd stuifmeel noodzakelijk om te kunnen komen tot een geslaagde bevruchting (kruisbestuiving). Dit laatste geldt zowel voor appels, peren, kersen en in mindere mate ook voor pruimen. Na langdurig onderzoek werden er in het verleden bestuivingstabellen opgesteld, die voor elk ras de optimale bestuiver(s) aanduiden. De meeste fruitrassen bloeien niet zo heel lang. En daar komt nog bij dat de klimatologische omstandigheden bepalend zijn of het stuifmeel kan rijpen en of er bevruchting kan plaatsvinden. Wij hebben in de beschrijving dan ook geprobeerd om meerdere geschikte bestuivers te vermelden.